Samenvatting
Bij een zwerftocht door de Peel schuilen Robert, Bertrand en Joeki voor de regen. Het drietal ziet een man die de bliksem laat inslaan in aan elkaar verbonden metalen staven. Hierdoor komen een puntgave holbewoner en een dito Romeinse soldaat tot leven — zelfs hun kleding is gaaf gebleven... De landlopers zijn niet tegen het duo opgewassen. De twee uit de dood opgestane mannen helpen de man die de bliksem liet inslaan. De Romein noemt hem magister, ofwel meester. Het lukt Robert en Bertrand niet om eten (eieren, appels en brood) te stelen bij drie boerderijen. Bij de derde kunnen ze wel werk krijgen. ’s Nachts zien ze de twee verdwaalden in de tijd naar een klein kasteel gaan, waar het duo de gekke professor verzorgt. De twee verlorenen overmeesteren de zwervers, maar de gekke professor redt hen. Aangezien de twee verlorenen niet bekend zijn met de maatschappij/techniek rond 1900, veroorzaken ze allerlei rampen. Nadat het lab van de professor in vlammen is opgegaan, vluchten ze zelfs. De professor komt om het leven. Nummer 17 verschijnt plotseling als een duveltje uit een doosje, want hij is stomtoevallig aangesteld als pachtbaas bij de boer, waar Robert en Bertrand nu gaan turfsteken. Joeki wordt ondertussen door de twee verlorenen ontvoerd. Ze zien hem nu als hun vader. Nummer 17 wil de twee opsporen met een posse. Joeki ontkomt door tussenkomst van Nummer 17. Robert en Bertrand willen de verlorenen redden, terwijl Nummer 17 op een premie belust is. De twee verlorenen verschuilen zich in het verbrande kasteel. Ze willen terug naar “de rust van het veen” door “het vuur”. Ze springen in een brandende houtstapel en keren met een knal terug naar hun rustplaats in het veen.

 

Thema
De poging om twee mannen die uit de dood zijn opgestaan, terug te brengen naar hun eeuwige rustplaats. Dit tegen de achtergrond van het turfsteken in het Peelgebied.

 

Locatie
Het Peelgebied in Nederland, gelegen in het grensgebied van de provincies Noord-Brabant en Limburg. Het hoogveengebied is vooral in de periode 1853-1912 grotendeels voor turfwinning afgegraven. Turf was eeuwenlang een belangrijke brandstof.

Het Peelgebied rond 1850 (bron: https://peelnatuurdorp.nl/peel-gebied).

 

Periode
Eind negentiende, begin twintigste eeuw.

 

Vermomming
Geen.

 

Redding
Een mislukte poging om de gekke professor van de bliksem te redden brengt het drietal in het verhaal.

 

Bijzonderheden

  • Geen Evelyne. De slak speelt weer een actieve rol in het verhaal en wel op de pagina’s 15, 24 en 29. Nummer 17 is er in dit verhaal met de haren bijgesleept om hem nog een rolletje te kunnen laten spelen. Pas op pagina 23 kom hij het verhaal binnen als de nieuwe pachtbaas. Vernederd wordt hij ditmaal door de pachters. Hij komt op pagina 30 weer over als een cliché ambtenaar. Verder is er bij hem sprake van zijn “verzuurde verstand” en komt zijn geldzucht weer naar voren. Zijn aloude tricycle is weer terug en wel op de pagina’s 29, 30 en 31. Volgens Joeki op pagina 30, prent 10, “zijn enige vriend”. Joeki is overduidelijk een puber geworden. Na een grap wordt hij op pagina 27 door Bertrand in een modderpoel gegooid. Hij zit in zijn “apejaren”, aldus Robert op pagina 28, prent 3.
  • In het Peelgebied zijn tal van archeologische vondsten gedaan. Vooral spectaculair zijn de gouden (zilver vergulde) Romeinse helm uit de periode 319-323, die in 1910 door turfsteker Gebbel Smolenaars (1878-1930) werd gevonden nabij Helenaveen, verschillende sieraden en munten uit de Romeinse tijd en diverse vondsten uit de midden steentijd ofwel Mesolithicum (±10.000 tot ±5.300 vóór Christus) en uit de nieuwe steentijd ofwel Neolithicum (±5.300 tot ±2.000 vóór Christus).(1)
  • Laat de Romeinse soldaat nu net zo’n helm dragen als in 1910 gevonden is…
Rechts: De zilver vergulde helm behoort tot de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.
  • Dat veen goed lichamen kan conserveren, blijkt ook uit diverse zogenaamde veenlijken van rond het jaar 1. Het bekendste is het zogenaamde Meisje van Yde, dat in 1897 in Drenthe werd gevonden.(2)
  • Op pagina 16 prent 3 zegt de Romein: “Quo Vadis?”, ofwel "Waarheen ga je"? Een ontoepasselijke uitspraak in de betreffende situatie.
  • “Het bekendste gebruik van deze term is in het verhaal in de apocriefe Handelingen van Petrus over de apostel Petrus, die tijdens de christenvervolgingen door keizer Nero de stad Rome probeerde te ontvluchten. Buiten de stad kwam hij op de Via Appia Jezus tegen, die de vraag "Quo vadis, Domine?" beantwoordde met "Eo Romam iterum crucifigi" ("Ik ga naar Rome, om opnieuw gekruisigd te worden"). Petrus beschouwde dit als een teken dat hij moest omkeren en de geplaagde christengemeenschap moest ondersteunen. Hij werd vervolgens in het Tullianum gevangengezet en ondersteboven gekruisigd in het circus van Nero. Voetafdrukken van Jezus zouden zich in de kerk Chiesa del Domine Quo Vadis bevinden.” De schrijver van de Handelingen van Petrus is onbekend.(3) Bij de meeste mensen zal de term bekend zijn door de uit 1895 daterende gelijknamige roman Quo Vadis? van de Pool Henryk Sienkiewicz (1846-1916), maar vooral van de uit 1951 daterende Amerikaans-Italiaanse speelfilm van regisseur Mervyn LeRoy (1900-1987).
  • De vraag “Tu quoque, magister?”, ofwel “Gij/Jij ook, meester,” die de Romein op pagina 8, prent 2, aan de gekke professor stelt, is uiteraard een verwijzing naar “Gij ook, Brutus?”, wat de laatste woorden van de Romeinse dictator Julius Caesar (100-44 vóór Christus) zouden zijn geweest. Men denkt dan bijvoorbeeld aan “Et tu, Brute?” of aan “Tu quoque, fili mi?(4)
  • De bekende leus ditmaal op de pagina’s 6 en 21.
  • Spreekwoorden komen ook weer aan bod. Op pagina 2, prent 7: “Geld is als mest... alleen goed als je het rondstrooit.” Op pagina 11, prent 1: “Gestolen goed gedijt niet.” Op pagina 14, prent 9: “Overal het fijne van willen weten.” Op pagina 24, prent 2: “Een mes in de rug steken.” Op dezelfde pagina, prent 4: “Wie slecht belegt moet droog brood eten” en “iemand op de zenuwen werken.” Op pagina 26, prent 6: “Eigen schuld, dikke bult.” Op pagina 30, prent 8: “Hoogmoed komt voor de val” — deze ook nog in het Latijn — en op pagina 36, prent 9: “Je lot in je eigen handen nemen.”
  • Op pagina 24, prent 8, is sprake van “Peter Koeken en zijn kornuiten” over de verdeling van de percelen waar turf gestoken moet worden. Een woordgrap van scenarist Marck Meul en tekenaar Ron Van Riet over hun toenmalige (1989) gelijknamige collega, scenarist, tekenaar en inkter Peter Koeken bij Studio Vandersteen, die daar werkte in de periode 1976-1990. Koeken was qua karakter de volstrekte tegenpool van Eric De Rop, die hij kwam vervangen. Ronald Grossey: “Eric De Rop, onstuimig, anarchistisch, emotioneel, alert, bruisend van energie en daartegenover Peter Koeken, streng katholiek opgevoed, een ernstige, noeste werker, wat schuchter, stil.”(5) In het prentje daarvoor wordt Johan Vanhulle genoemd. De jeneverbaron uit deel 80, De Drie Neuzen, en 81, De Witte Ruiters, heet Johan van Hulle.

  • Op pagina 25 wordt het turfsteken uit de doeken gedaan.

  • Op pagina 33 prent 5 raken twee wijsvingers elkaar. Ontleend aan de fresco De Schepping van Adam (circa 1511) op het gewelf van de Sixtijnse kapel in Vaticaanstad, geschilderd door Michelangelo Buonarotti (1475-1564). Zie ook de bespreking van deel 78, De Icarii.
  • Het door middel van bliksem tot leven wekken is ontleend aan de roman Frankenstein, or The Modern Prometheus (1818) van Mary Shelley (1797-1851). Hierin wordt het 'monster' met electriciteit leven ingeblazen.
  • Twee pagina’s documentatie over de Peel, ontleend aan bezoekerscentrum Mijl op Zeven te Ospel.

 

NOTEN

  1. https://www.deurnewiki.nl/wiki/index.php/Archeologische_vondsten
    https://archeologieonline.nl/artikelen/de-steentijd-een-overzicht
    Over de tijdvakken van de steentijd lopen de meningen nogal uiteen; ik heb hier de jaartallen gevolgd die  Archeologieonline hanteert.
  2. https://nl.wikipedia.org/wiki/Veenlijk
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Meisje_van_Yde
  3. https://nl.wikipedia.org/wiki/Quo_vadis%3F_(term)
  4. https://nl.wikipedia.org/wiki/Julius_Caesar
  5. Studio Vandersteen, Kroniek van een Legende 1947-1990 (Ronald Grossey, Roularta Books, 2007, pagina’s 283 (citaat), 351, 352, 353, 439, 440)
 
  Leo Kupers © Stripspeciaalzaak.be, 2023