Na Kuifje en Jo, Jetje en Jokko hevelde Hergé ook nog Kwik en Flupke over van Le Petit Vingtième naar het weekblad. Dat gebeurde in 1947, maar Hergé hield
er vijf jaar later al mee op. Toch is het na Kuifje zijn
tweede langst lopende reeks.
De twee Brusselse ketjes Kwik (de lange zwarte, later ook Quick
genoemd) en Flupke (de kleine blonde) zijn amper een jaar jonger
dan Kuifje. De twee belhamels startten hun carrière in 1930
in de jeugdbijlage Le Petit Vingtième. De grappen
zijn inwisselbaar met vele andere gagseries met jongeren die in
de jaren zouden volgen, zoals De Vrolijke Bengels of De
Lustige Kapoentjes. Af en toe herken je dezelfde
grappen.
Als de jongens al niet onvrijwillig de boel op stelten
zetten, dan krijgen ze het wel aan de stok met het gezag: ouders
(die zelden in beeld komen zoals in Charles M. Schulz' Peanuts), leraars en niet in het minst met Agent 17 die
met de twee een klassieke haat-liefdeverhouding onderhouden. Zo'n
stoute kindjes zijn Kwik en Flupke evenwel niet. Ze raken vaak per
ongeluk in nesten. Wanneer je Kwik in de eerste prent van een gag
ziet, dan weet je dat de huisraad eraan zal geloven, ook al zijn
diens bedoelingen meestal respectabel. Alleen in Flupke vermoeden
we dat hij op volwassen leeftijd zal uitgroeien tot een halve psychopaat...
Hij kan behoorlijk agressief uit de hoek komen. |