Kuifje-vignet Corentin
de knaap
gepresenteerd door Peter D'Herdt

  Corentin 4604

WEEKBLADGESCHIEDENIS
Eerste verschijning: 1946
Laatste verschijning: 1984
Tekenaar:
Paul Cuvelier
Scenarist: Paul Cuvelier, Greg, Jacques Acar, Jean Van Hamme

Corentin 8403
 
26 september 1946. Het eerste nummer van Kuifje. Vier strips. Vier tekenaars. Hergé kende iedereen. Edgar P. Jacobs en Jacques Laudy hebben hun strepen tijdens de oorlogsjaren verdiend in het weekblad Bravo. De vierde was piepjong en onbekend. Paul Cuvelier, 22 jaar. Hij droomde ervan om schilder te worden en vroeg, met zijn werk onder de arm, de grote Hergé om advies. Die laatste was diep onder de indruk en besefte dat hij aan dit natuurtalent niets meer kan leren. Vooral de aquarellen bij de verhalen van ene Corentin Feldoë, een jonge Bretoen die de wijde wereld intrekt en wiens avonturen Cuvelier heeft verzonnen om aan zijn jonge broers te vertellen voor het slapengaan, fascineerden hem. Corentin werd op voorspraak van Hergé een van de vaandeldragers van het nieuwe weekblad. Hij leerde zijn onafscheidelijke vrienden Kim, de tijger Moloch en de gorilla Beëlzebub kennen en verblijdde de lezers van het blad 127 weken lang (enkel in 1948 sloeg Cuvelier eens een weekje over) met prachtige avonturen in grote kaders vol sfeer en beweging. Begin 1949 klonk de roep van de lezers om een western in het blad steeds luider. Uitgever Raymond Leblanc kwam terecht bij Cuvelier, die een enorme fascinatie voor paarden had en dus geïnteresseerd was. In enkele weken schreef hij een knap scenario en hij dropte een kleinzoon van zijn Corentin, met dezelfde naam, zowat vijftig jaar later in de Far West.
En dan werd het pad van Corentin heel grillig. Ook Cuvelier had (net als die andere kunstenaar Laudy) een haat-liefdeverhouding met de strip. Ondanks zijn populariteit bij de lezers en het respect van zijn collega's had hij een manifest gebrek aan zelfvertrouwen. Maar vooral: hij wilde tekenen en schilderen. Hij was een echte bohémien die zich niet in een keurslijf liet dwingen. Zowat om de tien jaar volgde er nog een verhaal van Corentin, terug in een Oosterse setting, met de hulp van onder meer Greg (De Magische Dolk in 1958) en Jacques Acar (De Vloek van de Cobra in 1967). Op het eind van de jaren 1960 leerde Cuvelier Jean Van Hamme kennen. Samen maakten ze (na het erotische Epoxy dat niet in Kuifje verscheen) nog twee verhalen, De Prins van de Woestijn en Het Rijk van het Zwarte Water. Nadien keerde Cuvelier de stripwereld definitief de rug toe. Een laatste scenario van Van Hamme verscheen nog als tekstverhaal in een Kuifje Pocket (dat in 2016 alsnog werd verstript door Cuvelier-bewonderaar Christophe Simon) en ook Jacques Martin bleef met een ongebruikt scenario zitten dat hij uiteindelijk zal verwerken tot het Alex-verhaal De Prooien van de Vulkaan. De populariteit van Corentin bleef echter onaangeroerd en de eerste vier verhalen werden integraal opnieuw gepubliceerd in het weekblad op het eind van de jaren 1970 en het begin van de jaren 1980. Paul Cuvelier maakte het nog nauwelijks mee. In 1978 was hij als jongste van de vier musketiers de eerste die stierf. Hij werd amper 54 jaar.