Jean-Claude
Fournier

[gecontacteerd door Wouter Porteman]
Albums van Jean-Claude Fournier (1943, Frankrijk):
Bizu (1 album, collectie Jeugdzonden van Dupuis + 4 albums, Dupuis) De Kannibrallen (op scenario van Zidrou, 8 albums, Dupuis) Robbedoes en Kwabbernoot (vanaf deel 20 tot en met 29 behalve nummer 24, Dupuis).

Kleine wereld:
Hallo! Fournier nam de serie Robbedoes en Kwabbernoot in 1969 over van Franquin, toen hij er zwaar door zat wegens aanslepende depressies en gevechten tegen de deadline. Franquin hielp 'm wel nog op weg voor het album De Goudmaker en tekende de Marsupilami, die hij na het album evenwel voor zichzelf hield Ook Fournier sloot gags en kortverhaaltjes van De Kannibrallen af met een getekende signatuur Op zijn beurt droeg Fournier zijn wijsheid over aan Bretonse tekentalenten, zijnde Albert Blesteau, Jean-Luc Hiettre, Malo Louarn en Michel Plessix.

Website: www.ecolebizu.org

Beste vriend,

Ik heb het altijd vreemd gevonden dat in al die jaren niemand me ooit heeft gevraagd om te vertellen over mijn omgang met André Franquin. Ik wil je dus ook bedanken omdat je mij de kans biedt een man te eren die ik graag zag, als een grote broer en bijna als een vader.

Franquin was een enorme artiest, een scenarist boordevol ideeën, een verrassende gagman, een ongelooflijk bekwame tekenaar en een fabuleuze dichter. En wat hem echt bijzonder maakte, was dat zijn grote bescheidenheid hem verhinderde zich daarvan bewust te zijn.

Hoe dikwijls heeft hij me overdonderd door zijn oprechte verwondering uit te drukken over de lof op zijn werk die te lezen was in de pers of te horen op de radio. Vóór ik hem beter kende dacht ik dat het ging om valse bescheidenheid, maar stukje bij beetje raakte ik er van overtuigd dat zijn nederigheid authentiek was.

Ik was student in Parijs toen Franquin deelnam aan een signeersessie in de oude Dupuis-boekhandel op de Boulevard St. Michel. Ik was net begonnen met mijn eerste stripprobeersels en ik profiteerde van de gelegenheid om de man te ontmoeten die voor mij een idool was sinds mijn kindertijd en om hem mijn eerste pasjes in het beeldend vertellen onder de neus te duwen. Trillend op mijn benen legde ik het klein pakketje platen voor aan de auteur van mijn favoriete strips: Robbedoes en Guust.

Zijn grote vriendelijkheid dwong hem eerst wat bewonderend te fluiten en daarna zei hij me, op dezelfde manier als ik het later meermaals heb meegemaakt: "Dat is helemaal niet slecht. Maar goed, misschien, in het eerste hokje, zou ik scèneopbouw van dichtbij hebben gekozen. En kijk: in het tweede hokje staat de tekstballon niet in de goeie leesrichting. Enzovoort, enzovoort. Tot, na een dik uur, mijn plaat helemaal om zeep was. Maar elke kritische opmerking van hem was vergezeld van een schetsje dat zó fantastisch correct en precies was.

Die kattebelletjes, net zoals tientallen andere, koester ik als mijn duurste schatten. Vanaf die eerste ontmoeting, klikte het uitzonderlijk goed tussen ons. André stelde me voor hem op te zoeken in Brussel waar ik mijn tekeningen zou kunnen herwerken. Ik ben gegaan, verrukt door het grote privilege dat me te beurt viel. Het klikte tussen André en mezelf en zo ging ik gedurende bijna drie jaar om de twee maanden voor één week naar het atelier van André, gelegen in een klein appartementsgebouw, waar ik dan tijdens mijn verblijf woonde. Ik zeg nu wel ‘gelegen’ maar ik zou beter zeggen ‘verstopt’ want in die periode was het adres van Franquins atelier absoluut staatsgeheim. Vandaag kan ik het wel zeggen: het was in de Braziliëstraat.

De momenten die ik met hem heb doorgebracht, waren gevuld met een ongekende rijkdom. We gingen schetsen in het nabijgelegen bos. We brachten uren door met het luisteren naar de verschillende geluiden van de grote stad en het vinden van een manier om ze om te zetten in een onomatopee. We hadden discussieavonden over de meest diverse onderwerpen. Het waren avonden overgoten met jasmijnthee die op haar beurt vaak rijkelijk vermengd was met cognac. Ik ontdekte dankzij hem de grote meesters van de schilder- en de beeldhouwkunst op een heel levendige manier die in schril contrast stond met de ouderwetse en stofferige pedagogie van de Parijse kunstacademie waar ik naartoe ging. En dan ontdekte ik samen met hem wat het is om te leven met een potlood in je hand. Ik ontdekte ook, en dat is misschien wel het allerbelangrijkste, hoe een artiest gul zijn passie en kennis kan delen met jongeren. Het heeft me geïnspireerd om later, op mijn bescheiden niveau, hetzelfde te doen met jonge tekenaars na mijn terugkeer in mijn land, Bretagne.

Ik hou van alles wat André Franquin gecreëerd heeft. Sommige gags van Guust zijn voor mij echte humoristische meesterwerken. Zo schiet er mij bijvoorbeeld net eentje te binnen: die opeenvolging van prentjes op Italiaans formaat, waar Kwabbernoot de telefoon bleef verwarren met de papegaai die het telefoongerinkel nabootste. Zijn avonturen van Robbedoes waren erg bepalend voor mij, want bijna altijd politiek geladen. Het is ongetwijfeld zo dat het album De Dictator en de Paddestoel er toe bijgedragen heeft om van mij de man te maken die ik nu geworden ben.

Net zoals anderen van mijn generatie — zonder zover te gaan door te zeggen dat Franquin een gevaarlijke opruier was — denk ik dat Franquin ook, via Guust en zijn filosofie, zijn invloed heeft gehad op de gebeurtenissen in mei '68. Zeker als je eraan denkt dat Guust Flater in die tijd de mascotte was van het MNEF (de studentenorganisatie Mutuelle Nationale des Étudiants de France, wp).

Als kind vond ik het leuk om de tekeningen van Franquin na te tekenen. Het is dan ook heel logisch dat ik zijn stijl heb overgenomen en me er altijd aan gehouden heb, zelfs als ik soms zoals met De Kannibrallen, er wat afstand van nam.

Ik zou nog lang kunnen praten over alles wat ik heb geleerd in de eerste plaats via wat ik van hem heb gelezen en vervolgens via onze persoonlijke contacten, maar voor vandaag ga ik het hierbij laten.

Met vriendelijke groet, beste vriend,

Jean-Claude Fournier

[vertaald door Wouter Porteman / eindredactie door Peter D'Herdt]